14 november, 2015

De reproduceerbare objectiveerbare bekkenmeting

Martin Koelman

podoposturaal therapeut, fysiotherapeut, registerpodoloog

De reproduceerbare objectiveerbare bekkenmeting

Een langdurige scheefstand zorgt er voor dat het lichaam gaat compenseren en dit kan op den duur klachten geven. Om een en ander te kunnen interpreteren is het noodzakelijk de stand van het bekken goed te kunnen beschrijven.

Huidige methoden

Het probleem van de huidige meetmethoden is dat er geen zuivere meting gemaakt kan worden.
Er wordt gesproken over een bekken dat iets scheef staat ten nadele van links of rechts al dan niet gepaard met een torsie. Zet echter tien therapeuten achter een cliënt en je zult schrikken van de verschillende interpretaties van de bekkenstand

De reproduceerbare, objectiveerbare methode

Om een meting reproduceerbaar te maken is het noodzakelijk de houding van de cliënt goed te kunnen beschrijven. Er is gekozen voor een apparaat met op de bodem een voetplaat waar de cliënt met schoenen in kan staan (zie afbeelding 1).
afbeelding-1

Afbeelding 1: de driedimensionale bekkenmeter

De cliënt krijgt het verzoek in de grondplaat te staan en contact te maken met de dorsale en laterale zijde van de schoen. Op deze manier is de voetstand reproduceerbaar.
Er is bewust gekozen voor de mogelijkheid van een meting op schoenen, want op deze manier is het eenvoudig de metingen zonder zolen te vergelijken met de metingen op zolen.

In het eerste artikel is beschreven dat het lichaamszwaartepunt tijdens in- en uitademen verplaatst; dit heet oscilleren (zie afbeelding 2). Dit oscilleren maakt het moeilijk zuiver te meten, want in de paar seconden die nodig zijn om de meting te doen, kan er een verschuiving plaatsvinden van enkele centimeters.

afbeelding-2
Afbeelding 2: het oscilleren, links zonder fixatie en rechts met fixatie

Wanneer de cliënt op twee (ook weer meetbare, dus reproduceerbare) ossale punten gefixeerd wordt (afbeelding 3), blijkt het oscilleren beduidend minder te zijn (afbeelding 2 rechts). Er is voor ossale punten gekozen, omdat de cliënt daar het contactpunt het best kan voelen. Er is gekozen voor een punt op het sternum (voor de voorwaartse oscillaties) en een punt aan de laterale zijde van het proximale deel van de tibia (voor de zijwaartse oscillaties).

afbeelding-3
Afbeelding 3: uitgangshouding bij de meting in gefixeerde stand

Het fixeren gebeurt in een ontspannen stand (dat is de stand die de cliënt zelf aanneemt) en de meting duurt ongeveer een halve minuut. Het is niet mogelijk een zuivere bekkenmeting te maken zonder deze fixatie.
De fixatiepunten zijn beschreven qua hoogte, breedte en diepte en worden in de computer opgeslagen. Op deze manier is de houding waarin het bekken wordt reproduceerbaar.

Het bekken

De stand van het bekken wordt vaak gemeten door de hoogte van de cristae iliacae met elkaar te vergelijken, maar op die manier komt er geen informatie vrij over de eventuele torsiestand van het bekken.
De vier referentiepunten die gebruikt worden voor een meting die betrouwbaar is, zijn de
SIPS (Spina Iliaca Posterior Superior) links en rechts en de SIAS (Spina Iliaca Anterior Superior) links en rechts. In veel gevallen zijn dit goed palpabele punten op het bekken en een verbinding van deze punten geeft een goed beeld van de bekkenstand in het frontale en in het sagittale vlak.
Het is essentieel de meting van deze punten volgens een bepaald protocol uit te voeren.

Het protocol

De onderzoeker zit voor de cliënt op een stoel met de ogen op bekkenhoogte en palpeert aan de ventrale zijde van het bekken de beide spinae iliacae anterior superior (zie afbeelding 4, 5 en 6).
De handen zijn geplaatst op de cristae en met de duim palpeert hij van caudaal naar craniaal en laat daarbij regelmatig los om huidopeenhoping te voorkomen.

afbeelding-4
Afbeelding 4: meting van de SIPS en de SIAS

Hij palpeert op deze manier het meest prononcerende deel van de Spina (links zowel als rechts) en markeert deze punten met een stift. Hij laat de cliënt omdraaien en doet hetzelfde met de Spinae Iliaca Posterior Superior.
De handen geplaatst op de cristae en van caudaal naar craniaal het meest prononcerende deel palperen en markeren met een stift.

afbeelding-5
Afbeelding 5: palperen van de SIAS

 

afbeelding-6
Afbeelding 6: palperen van de SIPS

Het apparaat

Het door ons ontwikkelde apparaat is een aangepaste versie van de 3D-meter die verkrijgbaar is bij Fisher. Wij hebben twee van deze apparaten in onze opstelling verwerkt met op de bodem een grondplaat voor de voeten. In het apparaat zijn de nodige ‘digitale linialen’ verwerkt die op de honderdste millimeter nauwkeurig meten.
In deze opstelling zitten tevens de fixatiearmen verwerkt en het geheel heeft wat weg van een kooi, omgeven door meetinstrumenten.

afbeelding-7
Afbeelding 7: de meting

Nadat bij de cliënt de te meten punten (de SIPS en de SIAS) gemarkeerd zijn, neemt hij plaats in het apparaat en worden de fixatiearmen aangebracht en de coördinaten van de fixatiepunten in de computer ingevoerd qua hoogte, breedte en diepte (afbeelding 7). Vervolgens worden de vier markeringspunten via de digitale voelers gemeten en opgeslagen.

De computer verwerkt deze vier markeringspunten tot twee diagrammen, zodat een duidelijk beeld ontstaat van de bekkenstand in het sagittale en in het frontale vlak.

Interpretatie van deze bekkenmeting met de daarbij behorende houding heeft toegevoegde waarde bij het opstellen van een behandelplan.

afbeelding-8

Afbeelding 8:
De normale houding.
Het linkerdiagram geeft een bovenaanzicht van het bekken; geen torsie waarneembaar.
Het rechterdiagram geeft een achteraanzicht; geen zijwaartse scheefstand.

 

 

afbeelding-9
Afbeelding 9:
Een bekkenscheefstand ten nadele van links (zie het rechterdiagram).
Er is geen compensatoire torsie waarneembaar (zie het linkerdiagram).

 

 

afbeelding-10
Afbeelding 10:
Een bekkenscheefstand ten nadele van links gepaard gaande met een (compensatoire) torsie van het bekken, rechts naar voren.

 

 

afbeelding-11
Afbeelding 11:
De bekkenscheefstand is opgeheven (vergelijk het rechterdiagram met die van afbeelding 9 en 10).
De compensatoire torsie is echter nog aanwezig (vergelijk het linkerdiagram met die van afbeelding 9).

Tot slot

Ter afsluiting van deze artikelen de laatste foto (afbeelding 12)

afbeelding-12
Afbeelding 12: valgusstand rechts

Wanneer een cliënt met deze voetstand door de podoloog gecorrigeerd wordt is het onmogelijk de voetstand te corrigeren zonder daarbij het bekken en de rest van de houding te betrekken.

De valgusstand van de rechterenkel kan, vanwege de daaruit volgende endorotatie van het been, een torsie van het bekken rechts naar voren geven en een laagstand van het bekken ten nadele van rechts. Verbeteren van deze voetstand leidt dan automatisch tot een verbetering van de bekkenstand.

Echter…
Het kom heel vaak voor dat deze enkelstand ingenomen wordt als compensatie op een bekkenscheefstand te nadele van links.

Correctie van deze enkelstand geeft in dat geval een verslechtering van de bekkenstand en daar is de cliënt niet mee geholpen.